Ik werd als kind vaak uit de wieg genomen En daar trok moeder stijgerend in snoer en slang Mij op de stofzuiger door heel het onderkomen Ik reed door grauwheid en ellende, uren lang
Ik had daar even nog zo prachtig liggen dromen Van gouden koets en ruiters die van een rijk bal Een prinsje voerden en thans door de bomen Lui het paleis begroetten met hun hoorngeschal
Maar hoog daar bovenuit schalden de vloeken Van moeder; o, wat ging het vloervarken te keer Over de viezigheid die dagelijks in de hoeken Klonterend terugkwam, terugkwam telkens weer
Ik zag het schamele kleed, het levensmoe behang En dacht: zal knokken worden en de weg is lang